Waterkeringen, Polders, Kust en Oevers
Nederland telt honderden polders, Zeepolders, rivierpolders en droogmakerijen (droogleggingen van meren en plassen). Een uitgebreid en fijnmazig stelsel van sloten en watergangen zorgt 24 uur per etmaal voor de beheersing van het water in deze polders. Elke regendruppel die in de polders valt, moet van laag naar hoog worden afgevoerd. Alle sloten zijn daarom aangesloten op een gemaal dat het water uitmaalt naar de boezem. Vandaar wordt het weer weggemalen naar andere watergangen en uiteindelijk naar zee.
Nederlanders maken al sinds 1533 land van water. Het eerste water dat werd ingepolderd was het Achtermeer, ten zuiden van Alkmaar. Eeuwenlang was de winning van nieuwe landbouwgrond de voornaamste reden om water in te polderen. Na de Tweede Wereldoorlog werden de inpolderingen, in het bijzonder die van de IJsselmeerpolders, echter belangrijk voor de oplossing van het steeds groter wordende ruimteprobleem.
De grootte van de polders loopt sterk uiteen: van 1 à 2 hectare, zoals bij de Lije, de Kleine Waal en de Zwarte Waal, tot 54.000 hectare voor Oostelijk Flevoland. Alleen al in het benedenrivierengebied is volgens een ruwe schatting sinds 1900 ruim 16.000 hectare grond rond de rivieren ingepolderd. Meestal gaat het om zogeheten overlaatgebieden. Zo zorgde de sluiting van de Beerse Overlaat, tussen Cuijck en Den Bosch, er in 1942 voor dat er 17.000 hectare land aan het water werd onttrokken.
Een ander voorbeeld is de Zuiderzee. Na de voltooiing van de Afsluitdijk, in 1932, was dit gebied 350.000 hectare groot. Na inpoldering van de Noord-Oostpolder, Oostelijk Flevoland, Zuidelijk Flevoland en de Wieringermeer resteerde 190.000 hectare - bijna de helft van de Zuiderzee was ingepolderd.
Hoeveel kilometer waterkering telt Nederland
In totaal ligt er in Nederland ongeveer 3500 km primaire waterkering. Primaire waterkeringen zijn duinen, rivier-, meer- en zeedijken, stormvloedkeringen en dammen. Ze beschermen ons land tegen overstromingen vanuit de grote rivieren, het IJsselmeer, het Markermeer en de zee. Daarnaast zijn er de niet-primaire waterkeringen, zoals boezemkaden, polderkaden en kanaaldijken, die Nederland beschermen tegen overstromingen vanuit binnenwateren. Ongeveer 90 procent van de primaire waterkeringen wordt beheerd door de waterschappen, een tiental kilometers is in handen van gemeenten en provincies, en de rest wordt beheerd door het Rijk. Primaire waterkeringen beschermen 66 procent van Nederland. Daarnaast is er ca. 14.000 km aan regionale waterkeringen zoals boezemkaden, kanaaldijken e.d.
Regels voor de veiligheidsnorm, het toezicht, het ontwerp, de aanleg, de financiering en de handhaving van de primaire waterkeringen zijn vastgelegd in de Wet op de waterkering. Voor niet primaire waterkeringen bestaan dergelijke regelingen niet. Wel zijn er afspraken tussen waterschappen en provincies over normering.
Slechts 2% van het laaggelegen gedeelte van Nederland ligt buiten de primaire waterkeringen. Het gaat om buitendijkse gebieden als de uiterwaarden langs de grote rivieren, de stranden langs de kust en grote delen van het Limburgse Maasdal. Sommige buitendijkse gebieden staan bijna jaarlijks onder water, andere maar zelden. Om de wateroverlast te beperken, liggen op veel plaatsen (zomer)kaden.
Wat zijn de Deltawerken
De bijzondere bouwwijze van de Oosterscheldekering heeft als doel het maritieme ecologische milieu van de Oosterschelde zo goed mogelijk in stand te houden. Dankzij 62 grote openingen in de kering kan de getijstroom worden gehandhaafd. Als er storm op komst is, kunnen de openingen door reusachtige stalen schuiven worden afgesloten. Met de uitvoering van dit 'achtste wereldwonder' was in totaal ongeveer 5,4 miljard euro gemoeid.
In 1997 kwam in de Nieuwe Waterweg bij Hoek van Holland de Maeslantkering gereed. Deze imposante stormvloedkering bestaat uit twee kolossale, holle en boogvormige deuren, elk 300 meter lang. Bij een stormvloed met een peil van drie meter boven NAP zet een computer beide deuren automatisch in beweging en sluiten ze de Nieuwe Waterweg af. De Maeslantkering vormde het sluitstuk van de Deltawerken, 44 jaar na de ramp van 1953. Het mammoetproject heeft niet alleen de veiligheid van Zuid-West Nederland enorm vergroot, maar met zijn vele ingrepen ook de waterhuishouding in het gebied sterk verbeterd.
Stormvloedkering Nieuwe Waterweg
Wat betekent 'dynamisch handhaven' van de kust
Driekwart van de Nederlandse kust bestaat uit duinen, ongeveer 40.000 ha oftewel 1% van het totale grondgebied. Die zandige kust is in beweging, en omdat dat een gevaar kan opleveren voor de bescherming van het land achter de duinen, houdt de overheid de kust al eeuwen in de gaten. In 1990 koos de regering voor een beleid van het 'dynamisch handhaven' van de kustlijn. Dat komt erop neer dat de kust binnen een bepaalde bandbreedte mag bewegen en dat wind en water vrij spel hebben. Binnen die bandbreedte wordt de hoeveelheid zand op peil gehouden door periodiek extra zand aan te brengen (zandsuppleties).
Hoe wordt hoogwater voorspeld
De weersvoorspellingen en waterstanden op zee en op grote rivieren worden 24 uur per dag gevolgd. Aan de grote rivieren in Nederland, Duitsland (Rijn en zijrivieren), België (Maas), Oostenrijk, Slowakije en Hongarije (Donau) liggen circa 70 meetstations. Zodra zeer hoge waterstanden worden verwacht, treedt de zogenaamde Hoogwaterberichtgeving in werking. Bij de Rijn is dat het geval als bij Lobith een waterstand boven 14 meter NAP wordt gemeten en er een stijging tot boven de 15 meter verwacht wordt.
Langs de kust volgt de Stormvloedwaarschuwingsdienst 24 uur per dag de ontwikkeling van het getij, met name bij windrichtingen tussen zuidwest en noord. Als men verwacht dat het zogeheten alarmeringspeil overschreden zal worden, worden de waterkeringsbeheerders gealarmeerd en adviseert men dijkbewaking. Het alarmeringspeil varieert langs de Nederlandse kust tussen de 2,50 en 3,80 meter boven NAP.
Hoeveel overstromingen zijn er in Nederland geweest
De Nederlandse waterstaatsgeschiedenis kent veel overstromingen. Het precieze aantal daarvan is moeilijk te schatten. Bekende stormvloeden waren de Sint-Aechtenvloed (1288), de Sint-Elizabethsvloed (1421), de Sint-Felixvloed (1530) en de Allerheiligenvloed (1570). Bij de Sint-Elizabethsvloed vielen vele dodente betreuren, verdween de Grote Waard en ontstonden de Biesbosch en het Hollands Diep. De Allerheiligenvloed verzwolg een groot deel van Noord-Holland en kostte 5000 mensen het leven.
Hoewel de dijken steeds beter werden, vonden er ook in de twintigste eeuw nog overstromingen plaats: in 1906, 1916 en in 1953.
De storm van 13 en 14 januari 1916 veroorzaakte dijkdoorbraken langs de hele Zuiderzeekust. Het versterkingsplan dat naar aanleiding daarvan werd uitgevoerd, werd in 1926 voltooid. In 1932 werd de Zuiderzee 'getemd' met de aanleg van de Afsluitdijk.
De watersnoodramp van 1953 in Zuidwest-Nederland ligt veel Nederlanders nog vers in het geheugen. Daarbij vielen meer dan 1800 doden, werden 72.000 mensen geëvacueerd en liep ruim 2000 km2 land onder water.
Ook langs de rivieren braken regelmatig dijken door. Alleen al tussen 1750 en 1800 gebeurde dat 52 keer. Na de oprichting van het 'Bureau voor den Waterstaat' (Rijkswaterstaat) in 1798 nam die frequentie snel af. Sinds het einde van de achttiende eeuw hadden de grote rivieren acht keer te maken met zeer hoge waterstanden. Zes keer leidde dat tot grote dijkdoorbraken en overstromingen.
In 1781: Wamel en Dreumel - 1784: Ooijpolder - 1799: Waal - 1805: Weurt - 1861: Bommelerwaard - 1926: Maasdijk.
Nadat in 1993 hoogwater op verschillende plaatsen langs de rivieren voor veel overlast zorgde, volgde in 1995 opnieuw een hoogwatergolf. Het was de hoogste sinds 1926. Omdat men twijfelde aan de stabiliteit van de dijken werden in één week tijd ca. 250.000 mensen geëvacueerd, evenals de complete veestapels van de boeren in het gebied.
In 2003 bleek dat ook langdurige droogte tot dijkdoorbraak kan leiden. Eerst bezweek een boezemkade van de ringvaart van de polder Groot Mijdrecht in Wilnis. Er ontstond schade in de nabijgelegen woonwijk en 1.500 bewoners werden geëvacueerd. Kort daarna was er een kadebreuk bij de tussenboezem van de Prins Alexanderpolder langs de Rotte. In beide gevallen bleek de aanhoudende droogte een belangrijke rol te hebben gespeeld bij het bezwijken van deze veenkades.
Wat zijn de gevolgen van klimaatverandering op het water
Het klimaat verandert. De temperatuur stijgt en er valt, vooraf 's winters meer neerslag. Hierdoor ontstaan er in de rivieren en sloten hogere waterstanden dan voorheen. 's Zomers zijn er vaker droge periodes met lage waterstanden. Bovendien stijgt de zeespiegel en daalt de bodem in het westen van Nederland.
Om het water beheersbaar te houden wordt een beleid gevoerd waarbij meer ruimte voor water wordt gemaakt. Hierdoor kan het water meer zijn natuurlijke loop nemen wordt de kans op overstromingen verder verkleind.
Hoe komt het dat de bodem daalt
In grote delen van Nederland is sprake van een langzame, natuurlijke bodemdaling. Bodemdaling heeft verschillende oorzaken. Vroeger werd de natuurlijke bodemdaling gecompenseerd doordat de grote rivieren bij elke overstroming klei en zand afzetten. Door de bedijking kunnen rivieren tegenwoordig niet meer buiten hun oevers treden en is er geen sprake meer van deze afzetting van sediment.
Een andere oorzaak van bodemdaling is inklinking en de ontginning van veen en klei. Van nature bevatten deze bodemsoorten in het westen van Nederland veel grondwater. Als dat grondwater wegtrekt, klinkt de bodem in. In Nederland wordt al honderden jaren grondwater afgevoerd en weggepompt om de grond als polders te kunnen gebruiken voor landbouw.
Een derde oorzaak van bodemdaling is dat waar veen boven het grondwater uitkomt, het kan worden afgebroken door oxidatie. In de veenweidegebieden in West-Nederland is dat een belangrijke oorzaak van bodemdaling. Schaalvergroting in de landbouw en de uitbreiding van steden verstrerkten deze processen van inklinken en oxidatie.
In de 19e eeuw bedroeg de bodemdaling plaatselijk 1 meter. In de 20ste eeuw nam de bodemdaling dankzij beter polderbeheer af tot 50 cm.
Tegenwoordig wordt via een zorgvuldiger beheersing van het waterpeil gestreefd naar een bodemdaling van 25 cm. Intussen is de zeespiegel sinds de laatste ijstijd (10.000 jaar geleden) met ongeveer honderd meter omhoog gekomen.
Water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Beken krijgen hun vroegere bochten terug, boeren en waterschappen houden met stuwen overtollig regenwater langer vast. Door uiterwaarden te verlagen, dijken landinwaarts te verleggen of naast de rivier extra geulen te graven krijgen rivieren meer ruimte waardoor wateroverlast stroomafwaarts wordt voorkomen.
Op 2 juli 2003 ondertekenden Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). In dit akkoord werd vastgelegd op welke wijze, met welke middelen en langs welk tijdpad partijen de Nederlandse waterhuishouding tussen nu en 2015 op orde willen brengen. Ook is in het akkoord de relatie met het Waterbeleid 21e eeuw de Europese Kaderrichtlijn Water nader uitgewerkt.
Wat wordt bedoeld met 'Ruimte voor de Rivier'
Met het Deltaplan Grote Rivieren zijn de dijken versneld versterkt, maar er is meer nodig om de veiligheid langs de grote rivieren te waarborgen. Hoe hoger de dijken, hoe hoger het water in de rivieren en hoe ernstiger de gevolgen als er toch een dijk zou doorbreken. In het kabinetsstandpunt, Ruimte voor de Rivier (2000) koos het kabinet voor een nieuwe koers voor het Nederlandse rivierengebied. Het rivierwater moet meer ruimte kijgen. Bijvoorbeeld door uiterwaarden te verlagen, dijken landinwaarts te verleggen of gebieden te kiezen die bij hoogwater tijdelijk water kunnen bergen.
Het project 'Ruimte voor de Rivier' moet ervoor zorgen dat in 2015 de Rijntakken bij Lobith 16.000 m3/s veilig kunnen afvoeren. De maatregelen moeten passen in een langetermijnstrategie die veilige afvoer van 18.000 m3/s tot doel heeft.
Wat is een noodoverloopgebied
Een noodoverloopgebied is een gebied waar water bij extreme rivierafvoer wordt opgevangen. Noodoverloopgebieden hebben tot doel ongecontroleerde overstromingen op onvoorspelbare tijden en plaatsen te voorkomen. Op die manier kan worden voorkomen dat er slachtoffers vallen en wordt de kans op schade geringer. In mei 2002 concludeerde de Commissie Noodoverloopgebieden (de Commissie Luteijn) in haar advies aan de regering dat noodoverloopgebieden een nuttig, aanvullend instrument kunnen zijn om de stroomgebieden van Rijn en Maas op de langere termijn te beschermen tegen ongecontroleerde overstromingen. Het idee van zulke noodoverloopgebieden is niet nieuw. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw werd tijdens hoogwater langs alle grote rivieren regelmatig gebruik gemaakt van dergelike (binnendijkse) overloopgebieden. Geleidelijk aan is het oppervlak aan noodoverloopgebieden kleiner geworden: alleen al langs de Rijntakken verdween sinds 1850 zo'n 35.000 hectare aan noodoverloopgebied.

Wat houdt regionale waterberging in
Tijdelijke opslag van water is mogelijk in speciaal daarvoor ingerichte waterbergingsgebieden. Dit zijn laaggelegen, bij voorkeur weinig bebouwde gebieden. Bij extreme neerslag wordt bij overstromingsgevaar overtollig boezemwater geleidelijk in deze gebieden gelaten. Hierdoor daalt het water iets en het gevaar dta er dijken doorbreken wordt minder groot. Als het overstromingsgevaar voorbij is en het peil voldoende is gedaald, kan het water uit het waterbergingsgebied weer terugstromen. Op tal van plaatsen in het land wordt al een start gemaakt met het aanleggen van waterbergingsgebieden. Voorbeelden hiervan staan op de website http://projecten.nederlandleeftmetwater.nl
Wat is de Watertoets
Voor water is ruimte nodig. Om te zorgen dat deze notie in voldoende mate betrokken wordt in ruimtelijke afwegingen, is sinds 1 november 2003 de watertoets wettelijk verplicht. Die verplichting houdt in dat in ruimtelijke plannen een zogenaamde waterparagraaf moet worden opgenomen. Daarin moet worden beschreven hoe rekening wordt gehouden met de gevolgen van de plannen voor de waterhuishouding. Behalve veiligheid en wateroverlast moeten in de paragraaf ook de gevolgen voor de waterkwaliteit en verdroging worden opgenomen. De wijze waarop gebieden zijn verstedelijkt of anderszins zijn bebouwd (bijv. glastuinbouwgebieden) is een van de oorzaken van wateroverlast. Ruimtelijke plannen en besluiten kunnen leiden tot wateroverlast, achteruitgang van de waterkwaliteit, verdroging van natuurgebieden enz. De watertoets heeft tot doel deze negatieve effecten te voorkomen.
Hoe zit het met verdroging en droogte
In 2000 was in Nederland bijna 500.000 hectare natuurgebied meer of minder verdroogd. Dat is 12% van het totale grondgebied. Wat is verdroging? 'Verdroogde gebieden' zijn gebieden waar de oorspronkelijke grote verscheidenheid aan planten (biodiversiteit) verdwenen is. Door de daling van de grondwaterstand kunnen planten met hun wortels niet meer goed bij het grondwater. En door de verandering van de samenstelling van het water hebben bepaalde plantensoorten moeite zich te handhaven. Soorten die gevoelig zijn voor dergelijke veranderingen zoals orchideeën, parnassia en zonnedauw worden verdrongen door minder gevoelige soorten zoals riet, pijpestrootje en brandnetels.
Verdroging kent drie oorzaken: 60% van de verdroging wordt veroorzaakt door ontwatering en versnelde afwatering (drainage) ten behoeve van de landbouw; 30% komt voor rekening van onttrekkingen van grondwater voor drinkwater, industriewater en beregening. Toename van verhard oppervlak, bebossing en zandwinning zorgen voor de resterende 10%. Verdroging wordt onder meer bestreden door de oorspronkelijke grondwaterstand of kweldruk terug te brengen. Dat gebeurt bijvoorbeeld door grondwaterwinning in de omgeving te stoppen of te verminderen, of door een gebied niet meer via diepe sloten en kanalen te draineren.
De grondwaterstand in een natuurgebied kan ook worden verhoogd door en aangrenzend landbouwperceel om te vormen tot bufferzone, en door in de sloten een hoger waterpeil te handhaven.
Behalve dergelijke ingrepen in de grondwaterstand kan verdroging ook door beheersmaatregelen worden aangepakt. Een voorbeeld van zo'n maatregel is het verwijderen van maaisel, waardoor voedingsstoffen worden afgevoerd. Het gebied wordt dan schraler en daardoor aantrekkelijker voor bijzondere vegetaties. Een ander voorbeeld is agrarisch natuurbeheer, waarbij een landbouwer een lagere landbouwproductie accepteert en betaald wordt voor zijn inspanningen om oorspronkelijke natuurwaarden terug te winnen en te handhaven.
Droogte
Droogte wordt veroorzaakt door incidentele watertekorten, deels als gevolg van menselijk ingrijpen en deels door klimatologische omstandigheden. In tegenstelling tot verdroging heeft droogte niet alleen gevolgen voor de natuur, maar voor alle watergebruik. De zomer van 2003 was in Nederland warm en droog. Dat was ook het geval in de stroomopwaarts van de grote rivieren gelegen landen (Duitsland, België). Hierdoor ontstond een tekort aan water. Bovendien werd het water dat er was, warm. Door de lage waterstanden moesten binnenvaartschepen minder zwaar beladen worden. Electriciteitscentrales konden niet voldoende worden gekoeld. Hierdoor kwam de continuïteit in de stroomvoorziening in gevaar. In polder- en boezemwateren ontstond het risico dat het peil niet kon worden gehandhaafd, waardoor de stabiliteit van dijken bedreigd werd. En Nederland werd geconfronteerd met een nieuw fenomeen: een dijkdoorbraak bij droogte (Wilnis, Terbregge).
Toch was 2003 geen extreem droog jaa. De zogeheten verdringingsreeks bleek toepasbaar. In deze in 1985 vastgestelde reeks worden de prioriteiten aangegeven voor de verdeling van het zoetwater in geval van waterschaarste.
In 2003 is wel vastgesteld dat de natuur als factor in de verdringingsreeks moet worden meegenomen. Daarnaast wordt in de reeks de factor elektriciteitsvoorziening steeds belangrijker en wordt de verdringingsreeks zo nodig regionaal nader ingevuld.
Hoe is het gesteld met de kwaliteit van het water in Nederland
In de loop van de twintigste eeuw nam de watervervuiling vna het oppervlaktewater dramatische vormen aan. Vooral na de Tweede Wereldoorlog werd het ronduit gevaarlijk om in rivieren en meren te zwemmen en de vissterfte man drastisch toe. Rivieren waren bedekt met schuim, de stank was soms ondraaglijk. In 1970 trad de Wet verontreiniging oppervlaktewater (WVO) in werking. Er kwamen zuiveringsschappen, de vervuiler moest gaan betalen en de industrie moest lozingsvergunningen aanvragen. Waterschappen bouwden waterzuiveringsinstallaties die het afvalwater van huishoudens en bedrijven moest zuiveren. Daarnaast werd het lozen van allerlei zware metalen, polycyclische araomatische koolwaterstoffen en stikstof- en fosfaatverbindingen aan banden gelegd. Door al deze maatregelen is het oppervlaktewater in de loop van de laatste 25 jaar geleidelijk aan stukken schoner geworden.
Door industriële lozingen in het stroomgebied van Rijn en Maas aan vergunningen te binden is de vervuiling van het rivierwater flink teruggedrongen. De huidige natuurkwaliteit van de zoete en zoute wateren ligt op circa 40-50% van het niveau van de kwaliteit rond 1950.
Zalm in de Rijn
Een belangrijke stap in deze ontwikkelingen was de aanvaarding in 1978 van het Rijnactieprogramma, opgesteld door de internationale Rijncommissie. Dit programma had als ecologisch doel dat er in 2000 weer zalm in de Rijn moest zwemmen. Dat was de graadmeter voor de gewenste verbetering van de waterkwaliteit. Sinds 1990 zit er weer zalm in de Rijn, al is het vergeleken met vroeger nog maar mondjesmaat. Tot begin 2003 zijner aanwijsbaar meer dan 1900 volwassen zalmen teruggekeerd in het Rijnsysteem. Omdat niet alle zalmen bij hun terugkeer geteld kunnen worden, zal het werkelijke aantal teruggekeerde zalmen duidelijk hoger liggen. Bij de vistrap bij Iffezheim, die midden 2000 in gebruik werd genomen, werden tot nog toe 286 zalmen en meer dan 1000 zeeforellen geregistreerd. Maar hoe dan ook, het zijn er altijd nog aanzienlijk minder dan de kwart miljoen zalmen die in 1885 in de Rijn werden gevangen. De zalm voelt zich dan ook nog niet echt thuis in de Rijn. er is nog geen stabiele populatie. Er is nog een lange weg te gaan voordat er in de Rijn weer een zalmpopulatie is die zich voortplant.
Het waterkwaliteitsbeleid concentreert zich nu vooral op de zogeheten diffuse bronnen, verontreinigingen die verspreid en indirect in het oppervlaktewater of in rioolstelsels belangen, zoals vanuit de landbouw (meststoffen, chemische bestrijdingsmiddelen), de bebouwde omgeving, het weg- en railverkeer, de recreatievaart en de huishoudens. Om te voldoen aan de Europese Kaderrichtlijn Water moet in beginsel in 2015 een 'goede chemische toestand en een goed ecologisch potentieel of een goede ecologische toestand' worden bereikt.
Hoe staat het met de kwaliteit van ons zwemwater
Volgens een rapportage van de Europese Unie uit 2002 was het in vergelijking met andere Europese landen met het Nederlandse zwemwater goed gesteld: 97,8% van de badzones in de Nederlandse binnenwateren voldeed aan de gestelde normen. Voor de kustwateren bedroeg de score 100%. Daarmee zit Nederland een stuk boven het Europese gemiddelde: 95,8% van alle zeestranden in de EU voldeed aan de Europese normen en 91,1% van de Europese binnenwateren.
Tijdens het badseizoen, van mei tot oktober, wordt de kwaliteit van het zwemwater voortdurend in de gaten gehouden. Elke 14 dagen voeren waterbeheerders op ruim 600 plaatsen in Nederland controles uit. Op basis hiervan kunnen de provincies een negatief zwemadvies geven of een zwemverbod instellen en actuele informatie verstrekken via teletekst, internet en/of een speciale zogenaamde zwemwatertelefoon.
Na het badseizoen rapporteert het Rijksinstituut voor integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) over de resultaten van de controles aan de Europese Commissie. Die beoordeelt het zwemwater op microbiologische verontreiniging, schuim, olie en geur. De Europese huidige zwemwaterrichtlijn dateert van 1976 en kent geen normen voor algen, virussen en gifstoffen die ook in zwemwater kunnen voorkomen. Een nieuwe Europese zwemwaterrichtlijn is in voorbereiding. De nieuwe richtlijn zal strenger zijn en meer aandacht besteden aan bijvoorbeeld blauwwieren.
Hoeveel water wordt er in Nederland gezuiverd
In het midden van de 19e eeuw onstond het besef dat het lozen van afvalwater zonder enige vorm van zuivering niet langer kon doorgaan. Stankhinder, niet voor consumptie geschikt te maken oppervlaktewater en het gevaar van verspreiding van ziektes, leidden tot de aanleg van rioleringen en de eerste zuiveringsinstallaties. Het oudste riool ligt in Maastricht en dateert uit 1852. Na de choleraepidimie van 1866, met 21.000 doden, werden de rioolstelsels in Rotterdam en Maastricht aangepakt. De aanleg van stadsrioleringen begon pas in 1930 op grote schaal. In dezelfde periode bouwden met name gemeenten ook de eerste werken waarin afvalwater werd gezuiverd voordat het op oppervlaktewater werd geloosd.
Het in werking treden van de Wet verontreiniging oppervlaktewater in 1970 gaf een impuls aan de bouw van zuiveringsinstallaties voor rioolwater. Toen begon ook het proces waarbij gemeenten en provincies hun zuiveringsinstallaties aan waterschappen overdroegen. Inmiddels wordt de openbare afvalwaterzuivering alleen nog maar door waterschappen uitgevoerd. Hiervoor hebben zij een kleine 400 installaties in beheer. Daarnaast zuiveren diverse bedrijven met in totaal 600 installaties hun eigen afvalwater. De hoeveelheid afvalwater die op zuiveringsinstallaties wordt behandeld, wordt uitgedrukt in zogeheten inwonerequivalenten. Dat is een maat voor de hoeveelheid afvalwater die één persoon produceert. Een gemiddeld huishouden wordt ingeschat op drie inwonerequivalenten.
Hoe staat het met de riooloverstorten in Nederland
In steden wordt het meeste regenwater afgevoerd via de riolering. Regent het erg hard, dan stromen verouderde of te kleine rioolsystemen over. Ook lozen ze overtollig rioolwater via zogeheten overstorten op het oppervlaktewater. Dat leidt tot vervuiling van deze wateren. In sommige gevallen ontstaat zelfs gevaar voor de diergezondheid (via veedrenking) of de volksgezondheid. Een oplossing is het 'afkoppelen' van regenwater: de afvoer van regenwater scheiden van de afvoer van afvalwater, zodat het regenwater ongezuiverd voor bepaalde doeleinden kan worden gebruikt. In 2005 moesten alle risicovolle overstorten gesaneerd zijn.
Wat gebeurt er met het water in de stad
Stedelijk waterbeheer wordt steeds vaker op een andere manier aangepakt. Voorbeelden daarvan zijn regenwaer dat rechtstreeks via regenpijpen in de achtertuin loop, de aanleg van grote vijvers midden in nieuwbouwwijken en de natuurvriendelijke inrichting van oevers van stadswateren. Dergelijke maatregelen moeten wateroverlast voorkomen en de waterkwaliteit verbeteren.
Deze nieuwe aanpak biedt tegelijkertijd kansen tot verbetering van de leefomgeving. Stedebouwers en architecten herontdekken het water. Fonteinen, watervalletjes en wadi's maken dat zichtbaar. In de oude stadscentra worden gedempte grachten weer uitgegraven en nieuwe woningen worden steeds vaker langs het water, op het water of over het water gebouwd.
Een belangrijk facet van het nieuwe beleid is de afvoer van regenwater. Op de meeste plaatsen wordt dat via de riolering afgevoerd. Bij hevige regenval stromen verouderde of te kleine riolen over. Vervuild rioolwater stroomt over straat en komt dan terecht in de sloten. Dat kan worden voorkomen door ervoor te zorgen dat meer regenwater direct in de grond zakt of naar een singel stroomt. Dit wordt echter veelal belemmerd door asfalt en bebouwing. In een aantal woonwijken in Nederland loopt het regenwater via een leidingenstelsel naar ondergrondse opslagvoorzieningen. Vanaf die plek infiltreert het langzaam in het grondwater. Alleen bij hoge grondwaterstanden wordt het afgevoerd naar de singels. Op die manier ontstaat er na hevige regenval geen overbelasting van het riool. Sommige steden hebben inmiddels een zogenaamd waterservicepunt voor het beantwoorden van vragen over het waterbeheer en beleid.

Waar komt ons drinkwater vandaan
In Nederland wordt het drinkwater bereid uit grondwater of uit oppervlaktewater. Ongeveer tweederde van ons land (vooral in het noorden, zuiden en oosten) krijgt drinkwater afkomstig uit grondwater. Door vermenging met het zoute zeewater is het grondwater in het westen van Nederland niet geschikt voor drinkwaterbereiding. Daar wordt vooral oppervlaktewater gebruikt. Rijn en Maas leveren elk ongeveer de helft van de benodigde hoeveelheid.
Het grondwater dat wordt gewonnen, kan tussen 10 en 45.000 jaar oud zijn. Het bevindt zich op een diepte van 10 tot 400 meter. Grondwater is regen- of rivierwater dat door de aardbodem omlaag is gesijpeld. Onderweg vinden allerlei processen plaats waardoor bacteriën en virussen uit het water verdwijnen. Het water is daardoor meestal goed van kwaliteit, maar niet schoon genoeg voor consumpsie. Daarvoor moet het eerst worden gezuiverd.
Rivierwater staat bloot aan tal van milieubedreigingen en bevat aanmerkelijk meer verontreinigde stoffen dan grondwater, onder meer door lozingen van chemisch afval en het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw. Om er toch betrouwbaar drinkwater van te maken, is een uitgebreid en kostbaar zuiveringsproces nodig. Daardoor is drinkwater uit oppervlaktewater duurder dan drinkwater uit grondwater. Het oudste waterleidingbedrijf is dat van Amsterdam, gesticht in 1853, gevolgd door dat van Den Helder. Nederland telt nu 15 waterleidingbedrijven.
Hoe groot is het waterverbruik
Nederlanders verbruiken per dag gemiddeld 126 liter water per persoon. Daarin is het aandeel van douchewater (42 liter) en toiletreiniging (34,8 liter) het grootst. De prijs van het drinkwater is uit drie delen opgebouwd. Het waterleidingbedrijf rekent een prijs voor het afgeleverde drinkwater, de waterschappen rekenen geld voor de zuivering van rioolwater en de gemeenten rekenen rioolrechten: een bedrag voor de aanleg en het onderhoud van de riolering.


Auteur: Tonnie Groenendijk
Bronnen:
Ministerie van Verkeer en Waterstaat
de Unie van Waterschappen
het IPO
de VNG
de campagne "Nederland leeft met Water"